De zelfportretten van Jan Jansz. de Stomme

In het schilderijendepot van Museum Martena in Franeker hangen twee portretten die zijn toegeschreven aan de in Franeker geboren schilder Jan Jansz. de Stomme. De schilderijen zijn zeer waarschijnlijk zelfportretten van de jonge schilder in zijn leertijd. Beide schilderijen tonen een zelfverzekerde jongeman, de een ten voeten uit, de ander tot zijn middel. In beide portretten is te zien dat het om een schilder gaat: ze hebben een palet in de hand, de man ten voeten houdt ook een schilderstok vast. Het portret ten halven lijve zou een close-up kunnen zijn van de in zijn geheel afgebeelde man. Het gaat ontegenzeggelijke om een en dezelfde man, zelfs het afgebeelde kostuum komt precies overeen. Het portret van de in zijn geheel afgebeelde man dateert uit 1634, het andere portret uit 1635. De geportretteerden zijn in beide gevallen 19 jaar oud. 
Jan Janszoon werd in 1615 geboren als Jan Voogelesang. Zover bekend heeft Jan Jansz. nooit gebruikt gemaakt van zijn geboortenaam. In officiële akten heet hij De Stomme en ook zijn schilderijen signeert hij op die wijze. Het gelukkige toeval wil dat het verhaal van Jan Jansz. de Stomme voorkomt in een geslachtregister dat tussen 1724 en 1729 is geschreven door Frans der Kinderen. De grootmoeder van Der Kinderen was een Voogelesang en zodoende was Jan Jansz. familie.
“Mijn grootmoeder had een broeder genaamt Jan Voogelesang, dog best bekend bij de naam de Stom van Frieslandt, sijnde stom en doof, dog een heel goet schilder. Hij was de schilder van de vorste van Frieslandt en Oostfrieslandt (waarschijnlijk een dichterlijke overdrijving). Hij was een dechiepel van Rembrandt en hadt hier bij hem gewoondt. Die getuygde dat hij noijt minder moyte met iemandt gehadt heeft als met hem, wandt doen sijn tijt om was en dat mijn grootmoeder het gelt brogt voor de kost, begeerde hij niet en sij, hij heeft mijn dienst profijt genoeg gedaen, soo dat mijn grootmoeder haer gelt weer mee nam. Hij heeft sijne belijdenis in de Gerifformeerde kerk gedaen, het welk op dese manier toe ging. De predikant vroeg mijn grootmoeder en die wees het hem en dan wees hij het antwoordt aen mijn grootmoeder en die sijt het weer aan de predikant en hebbe daer volkoomen genoege in gehadt. Sij moest alle daegen de courant voor hem lesen en die hem beduye. Hij heeft twee vrouwe gehadt, die de lelijkste niet en waeren, daer hij veel kinderen bij geteelt heeft, dog sijn altezaemen overleeden, het welk mijn muy, Ytie Haanties, mijn verhaalde doen ick int jaer 1695 met mijn vrouw in Frieslandt bij haer was, dat sij met man en kinderen, te weeten de dogter van Jan Voogelesang, die winter altezaemen waere overleeden, soo dat het geslagt van mijn moeder heel uyt gestorven is.”
Jan Jansz. zou in Amsterdam bij Rembrandt geleerd hebben. Dat is best mogelijk, Rembrandt had via zijn vrouw Saskia banden met Franeker. Uit het werk van Jan Jansz. is het niet op te maken. Zijn portretten staan meer in de traditie van de Leeuwarder schilder Wijbrand de Geest. Jan Jansz. de Stomme vertrok na zijn leertijd in 1643 naar Groningen. Daar werd hij de schilder van de plaatselijke society. Hij trouwde in 1648 met Catharina Solingius, die een jaar later stierf, waarschijnlijk in het kraambed. In 1650 hertrouwde Jan met Aaltje Stevens en kreeg met haar twee dochters. In 1658 worden twee voogden aangesteld voor Petertien, het dan 5 jarige kind. Waarschijnlijk waren Jan, Aaltje en Jantjen, het jongste dochtertje, toen al gestorven.

Nu te zien